De Bijbel geeft geen uitgebreide omschrijving van de Drie-eenheid. Toch vormt dit dogma het hart van het christelijk belijden. Hoe is dat zo gekomen? Om dat te begrijpen, moeten we terug naar de concilies van Nicea (325), Constantinopel (381) en Efeze (431).
Allereerst is het belangrijk om ons te realiseren dat wij als gelovigen de Drie-eenheid moeten bezien vanuit verwondering. De unieke eenheid die er is tussen God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest is eigenlijk niet in woorden te vatten. Dit is – voor zover wij mensen dit kunnen overzien – mogelijk ook de reden dat we in het Nieuwe Testament geen uitgebreide theologie vinden over de Drie-eenheid. In het Nieuwe Testament wordt de Drie-eenheid op meerdere momenten helder zichtbaar, zoals bij de doop van Christus in de Jordaan, in Zijn zendings- en doopbevel aan de discipelen en in de brieven van Johannes. Toch vinden we er geen uitgewerkte theologische verklaring van de unieke verbondenheid tussen Vader, Zoon en Heilige Geest.
Apostolicum
In het Apostolicum komt de Drie-eenheid van God voor het eerst als samengevat dogma naar voren. De gelovigen belijden te geloven in God de Vader, Schepper van hemel en aarde, en in Zijn Zoon, Jezus Christus, alsook in de Heilige Geest. In het Apostolicum blijkt al heel duidelijk dat deze drie goddelijke personen als zodanig worden erkend en beleden. Kenners dateren deze geloofsbelijdenis eind eerste of begin tweede eeuw. Een van de vroegst bekende aanzetten voor het Apostolicum is terug te vinden in de geschriften van Ireneüs van Lyon, die rond 200 overleed.
Concilie van Nicea
In 325, tijdens de discussies over de goddelijke natuur van Christus – die toen allerminst door iedereen werd erkend – koos het concilie van Nicea ervoor in de geloofsbelijdenis ondubbelzinnig uit te spreken dat Christus waarachtig God is.
Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Schepper van de hemel en de aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen.
En in één Heere Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader voor alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader; door Hem zijn alle dingen geworden.
Ter wille van ons mensen en van ons behoud is Hij neergedaald uit de hemel en vlees geworden door de Heilige Geest uit de maagd Maria en is een mens geworden. Hij is ook voor ons gekruisigd onder Pontius Pilatus, heeft geleden, is begraven. Op de derde dag is Hij opgestaan overeenkomstig de Schriften. Hij is opgevaren naar de hemel, zit aan de rechterhand van de Vader en zal in heerlijkheid weerkomen om te oordelen de levenden en de doden. En Zijn Rijk zal geen einde hebben.
En in de Heilige Geest, Die Heere is en levend maakt, Die gesproken heeft door de profeten.
En één heilige, algemene en apostolische kerk.
Wij belijden één doop tot vergeving van de zonden.
Wij verwachten de opstanding van de doden en het leven van de komende eeuw.
Amen.
Helaas leidde dit er niet toe dat deze belijdenis door iedereen werd overgenomen. Een toch vrij grote groep christenen volgde de idee van Arius, die wel aannam dat Christus de Zoon van God was, maar niet kon geloven dat Hij ook Zelf God was.
Arius geloofde dat Jezus Gods Zoon was, maar niet God Zelf
De periode van 325 tot 381
In deze periode kwam de discussie over de Drie-eenheid pas echt op gang. De vraag was of Jezus Christus, de Zoon van God en Verlosser, wezensgelijkend of wezensgelijk was aan God de Vader. De volgelingen van Arius wilden uitgaan van een wezensgelijkende overeenkomst tussen God de Vader en Christus en durfden niet te veronderstellen dat Christus wezensgelijk zou kunnen zijn aan God de Vader.
Ambrosius en andere kerkvaders, zoals Hilarius van Poitiers, waren evenwel van mening dat de drie goddelijke personen samen een eenheid vormden. Ze waren hierin heel duidelijk. Hilarius schreef een traktaat dat inging op de Drie-eenheid van God. Dit indrukwekkende standaardwerk zette eigenlijk in de vierde eeuw de toon. Augustinus zou hier zo door geïnspireerd worden, dat hij belangrijke delen eruit nader bekijkt en vervolgens inpast in zijn eigen werk De Trinitate. Hilarius stond sowieso bekend om zijn strijd voor de godheid van Christus. Hij schreef hier niet alleen een boek over, maar liet op kerkvergaderingen ook duidelijk zijn visie horen.
Milaan
Een nog verdergaande stap was dat hij aan de burgerlijke overheid van Milaan vroeg om Auxentius af te zetten. Deze volgeling van Arius was bisschop van Milaan voordat Ambrosius hier als bisschop benoemd werd. De overheid ontving de brieven van Hilarius die tot het afzetten van Auxentius moesten leiden, maar gaf geen gehoor aan de oproep.
Niet alleen in het Latijn sprekende deel van het Romeinse Rijk was de godheid van Christus een belangrijk theologisch strijdpunt, ook in het oostelijk deel was het een veelbesproken en fel aangevallen dogma. Keizer Theodosius was de mening toegedaan dat de geloofsbelijdenis van Nicea de juiste visie vertegenwoordigde. Om die reden hielp hij de orthodoxe richting om haar standpunten te verdedigen. Maar ook de andere stroom, die Arius volgde, was groot van omvang. De steun van Theodosius voor de orthodoxie werd daarom door de kerkvaders als heel helpend ervaren. Zowel Ambrosius als Gregorius van Nazianze kenden Theodosius persoonlijk en wisten hem dusdanig te motiveren dat hij zijn steun meermalen duidelijk liet blijken.
"*" geeft vereiste velden aan