
In het laatste boek van de theoloog Reinier Sonneveld beweert hij dat de hel tijdelijk is. Uiteindelijk worden alle mensen zalig. Hoe totaal anders spreekt de Bijbel van Gods toorn over een volk dat Hem de rug toekeert en over schepselen die Hem inwisselen voor afgoden (Rom. 1:18-19). In het eerste deel van de reactie op dit boek concludeerden we al dat niemand tegenover deze heilige God een been heeft om op te staan. Alleen door een wonder van genade worden we gered van het welverdiende oordeel.
Met het bovenstaande hangt direct samen dat Sonneveld geen recht doet aan de diepte van het verzoeningswerk van Christus. De harde kern van de christelijke verzoeningsleer houdt in dat Jezus als Middelaar in onze plaats wilde staan en onze schuld wilde dragen. Golgotha is de plaats waar niet alleen de realiteit van Gods liefde, maar ook de volle hevigheid van Zijn toorn is geopenbaard.
Helse straf
Uitsluitend en alleen dankzij het daar gebrachte offer is er redding voor verloren zondaren. De Heilige Geest verbindt ons in de weg van geloof en bekering (wedergeboorte) aan Christus, zodat we in Hem ingelijfd worden en zo deel krijgen aan de verzoening die Hij tot stand heeft gebracht. Wij kunnen onze schuld nooit uitboeten door een tijdelijke straf in de hel, maar het wonder is dat Christus onze schuld op zich genomen heeft en dat we daardoor van de helse straf zijn bevrijd. Het is dan ook van het uiterste belang aan Christus’ verzoeningswerk niet achteloos voorbij te gaan of Hem zelfs smadelijk af te wijzen. Denk aan het scherpe woord in de Hebreeënbrief: “Hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo’n grote zaligheid veronachtzamen?” (2: 3)
Bij Sonneveld lijkt Gods toorn zonder meer na verloop van tijd te wijken, zonder dat deze (weg)gedragen wordt door het Lam van God. Maakt niet heel de offercultus in het Oude Testament duidelijk dat er zonder bloedstorting geen vergeving geschiedt?
"*" geeft vereiste velden aan