
In veel kerkelijke gemeenten zullen (jonge) mensen ook dit jaar weer in het openbaar belijdenis afleggen van het geloof. Dat is een hoopvol signaal!
De belijdenisdienst ademt altijd de lichte sfeer van de lente. Het uitspruiten van vaak jonge knoppen geeft nieuw elan. Een hartverwarmende beleving. ‘God gaat door!’, zeggen we met een glimlach tegen elkaar. Deze lente in de kerk, die we tijdens belijdenisdiensten proeven, zorgt voor een feestelijke sfeer.
Het is ook belangrijk dat de gehele gemeente laat merken dat het feestelijk is. Want die bijzondere relatie tussen de kerkelijke gemeente en het nieuwe belijdende lidmaat is van zeer groot belang. Tegelijk staat die relatie in onze tijd van hyperindividualisme onder druk. De persoonlijke beleving krijgt nogal voorrang. Geïnspireerd door het GB-jaarthema 2025 (“Kerk. Thuis bij God”) wil ik daarom ingaan op die relatie kerk – nieuw belijdend lidmaat.
Vanzelfsprekendheid voorbij
Belijdenis doen is allang geen vanzelfsprekendheid meer. Sommige gemeenten missen zo’n jaarlijkse dienst met pijn in het hart.
Diep dankbaar zijn we voor nieuwe lidmaten die zeer gemotiveerd het geloof willen belijden. Anderen doen het in overeenstemming met de groepscode, waarbij men eigenlijk geen reden ziet om het niet te doen.
Er zijn helaas doopleden die afhaakten. Andere (doop)leden zijn hartelijk meelevend, maar zien voor zichzelf geen goede reden om belijdenis te doen. Weer anderen geven het geloof thuis vorm en zeggen de kerk niet nodig te hebben.
Van deze laatste twee groepen kom ik in het gemeenteleven ook de vragen tegen.
Zij belijden hun geloof dagelijks op hun werk. Hun vragen zijn: waarom zou ik dan ook nog in het bijzonder voorin de kerk belijdenis doen? Waarom moet dat eigenlijk? Waar staat dat in de Bijbel? Is het niet een brok oneigenlijke traditie? Daarbij is het postmodernistische levensgevoel anti het instituut. Daarom leeft ook een vraag als: waarom zou ik mijn ja-woord geven in een instituut als de kerk? Is mijn geloof niet iets heel persoonlijks? Ik ervaar het als een (soms ingewikkelde) uitdaging om in deze wirwar van vragen de zin van openbare geloofsbelijdenis onder woorden te brengen.
Inlijving
Het bijbelse uitgangspunt is dat je de kerk ontvangt als ‘lichaam van Christus’ (1 Kor. 12:12, Ef. 4:4). Die onlosmakelijke relatie tussen Christus en de kerk is zo hecht als de verbinding van het hoofd met het lichaam. De kerk is dan ook met Christus direct en vanzelfsprekend gegeven. Als je de kerk loskoppelt van Christus, amputeer je Christus.
Hoe is mijn relatie tot het lichaam? Op het Pinksterfeest zien we dat de Heilige Geest ‘heel het huis waar zij zaten’ vervulde (Hand. 2:2). Zo komt de Geest via het hele huis, dat is via de kerk tot het persoonlijke individu. Via de bloedbaan van het lichaam ontvangt de voet of de teen het leven. Zonder lichaam leef ik niet.
Het leger is als het ware ook een lichaam. Een beginnende soldaat wordt bij de kazerne ‘ingelijfd’ in het leger. Zo word je als christen ingelijfd in het lichaam van Christus.
In de doop word je deze inlijving ‘in Christus’ dood en opstanding’ toegezegd en dan belooft de Heilige Geest je tot lidmaat van Christus te heiligen. Mooi en sprekend is dat je in sommige belijdenisdiensten het doopvont heel symbolisch ziet staan, bijv. naast de knielbank. Met je ja-woord bij de belijdenis beantwoord je – dankzij de doop met de Heilige Geest – actief deze inlijving. Je bent in Zijn lichaam. Samen met de anderen. Ingelijfd in het ‘wij’ van de gemeenschap. Wij zijn samen Zijn lichaam, Zijn ledematen. Je bent niet meer van jezelf, maar van Hem en van Zijn kerk. De 26-jarige Bonhoeffer zegt in 1932: ‘Ik behoor Christus toe’ betekent: ‘Ik behoor de samenkomst toe’. Ik kan en mag niet vragen: ‘Wat heb ik daarmee te maken?’ – dat is net zo onmogelijk als vragen: ‘Wat heb ik met mijn moeder te maken?’ Ik hoor eenvoudig bij haar!
De kerk is het lichaam van Christus. Dit is een geweldig innige gemeenschap, een mysterie. Deze intimiteit komt ook tot uiting in het oude beeld van de kerk als je moeder. Dit beeld is te herleiden tot Galaten 4:26.
Huwelijksaanzoek
Er is dus Christus en Zijn kerk, Bruidegom en bruid, die samen innig één lichaam/vlees vormen. Verrassend is dat Christus in de kerk als de Bruidegom op de mens afstapt. In het bijzonder via vertegenwoordigers van de kerk: de kerkenraad. Christus vraagt via Zijn dienaren de hand van de mens: ‘Laat u met God verzoenen.’ (2 Kor. 5:20) Dit blijkt concreet in hoe de kerkenraad veelvuldig de belijdenisgroep begeleidt en roept. Zo meldt een nieuw lidmaat zich bij de poort/de kerkenraad met het verlangen om belijdenis te doen. De kerkenraad faciliteert dan kerkelijk onderwijs voor de catechisant. Aan het slot van het belijdenistraject volgt vaak een gesprek tussen catechisant en predikant/wijkouderling. Bij de aannemingsavond is vaak (een deel van) de kerkenraad aanwezig. En de kerkenraad stelt een vraag. Dit is hét huwelijksaanzoek. God vraagt via de kerk: ‘Heb jij Mij lief?’ (Joh. 21:15-17) Die aannemingsavond is daarom een zeer feestelijke avond, waarbij ik altijd ook aan de koster vraag om vooraf taart te serveren: de receptie. Die avond wordt het gesprek over de liefde gevoerd. En heel eervol wordt als huwelijkssluiting aan nieuwe lidmaten het volle lidmaatschap toegezegd.
Liefdeslied
Vervolgens staan tijdens de belijdenisdienst de broeders en zusters op. Waarom? Vanwege de relatie gemeente – lidmaat. Je doet geen belijdenis voor de kerkenraad, maar te midden van de gemeente, de kerk der eeuwen. Let tijdens het lezen van het belijdenisformulier ook weer op de rol van de kerk: ‘De kerkenraad heeft, na gevraagd te hebben naar uw geloof en kennis van de waarheid, met vertrouwen en blijdschap in uw voornemen toegestemd.’ Wie deze zin spelt, die valt het op dat het niet gaat om mijn waarheid, maar om dewaarheid. Waarom? Dat heeft te maken met de vraag: belijd ik mijn geloof of belijd ik het geloof? Beiden natuurlijk, maar in de eerste plaats het laatste. ‘Het gaat in de kerk niet om dat je gelooft, maar om wat je gelooft (W. Verboom). Ik geloof niet op een postmoderne manier wat ik er maar van wil geloven, wat goed voelt of wat goed werkt. Nee, mijn geloofsinhoud wordt gekleurd door de heilige Schriften (2 Tim. 3:15).
Ik stem in met het apostolische geloof van de kerk der eeuwen, het geloof van Israël, het geloof van Jezus Christus. De belijdenisgeschriften vatten daar iets van samen. Als schakeltje in de ketting van het verbond belijd ik dát geloof met de kerk mee. Dat haalt de kramp van mijzelf af. Als ik belijdenis doe, dan ga ik bij het massale kerkkoor staan en ga ik meezingen (A.A. van Ruler). We zingen meerstemmig. Ik met mijn eigen klankkleur, maar toch: we zingen het loflied van de belijdenis der eeuwen, het liefdeslied. Eventjes zing je solo in dat koor en hoort de gemeente jouw openbare ‘Ja’. Daarna zingen nieuwe lidmaten samen een psalm of lied: ‘Ik zet mijn treden in Uw spoor.’ (Ps. 17:3)
Dit publieke karakter is noodzakelijk. De kerk is geen clubje van ingewijden, zij is er altijd voor Jan Publiek geweest (Van Ruler). Belijdend, getuigend, open, niet besloten. Zoals de tempel in Israël openstond voor iedereen. En zoals de Psalmist een dankoffer en gelofte brengt ‘in de tegenwoordigheid van al Gods volk.’ (Ps. 116:18) Zo doet jouw vrijwillige, persoonlijke Ja-woord er als een offer toe in Gods huis.
Liefdesverklaring
In de tweede belijdenisvraag wordt met nadruk genoemd dat je ‘lid bent van de gemeente’. In de derde belijdenisvraag wordt heel concreet gevraagd of je ‘in de gemeenschap van de PKN trouw wilt zijn onder de bediening van het Woord en de sacramenten’. En of ‘je met de jou geschonken gaven wilt meewerken aan de opbouw van de gemeente van Christus’. Neem je jouw ja-woord volkomen serieus? Dan is je belijdenis niet los van de kerk verkrijgbaar. Onze vroomheid is geen eigen, geïsoleerd verhaal. Je consumeert niet even het bijzondere ritueel van belijdenis doen om daarna je eigen weg te vervolgen. Nee, het is een liefdesverklaring aan Christus en Zijn lichaam, de bruid, je moeder.
Wat heeft je moeder aan jou? Na je belijdenis kun je niet onverantwoord voort (s)hoppen zonder trouw. Dat is liefdeloos richting je moeder. De vraag is: Hoe kun jij er zijn voor het geheel van Christus’ lichaam? Dit heeft onder (een deel van de) nieuwe lidmaten ook wel de belangstelling: het geeft concreet zicht op jouw bijdrage. Je hebt je liefde verklaard aan Christus’ kerk. Je moeder laat je drinken uit de beloften van het Woord. En jij mag aan die kerk meebouwen met je trouw in de kerkgang, je liefdevolle inspanning in kerkelijk werk, je vrijwillige bijdrage, je voorbede en ook je zelfverloochening. Gedreven door: ‘ik hou van Christus én van Zijn kerk.’
Geïnteresseerd in meer lezenswaardige artikelen? Neem een jaarabonnement (€ 53). Als welkomstgeschenk ontvangt u De Waarheidsvriend twee maanden gratis. Of maak gebruik van onze actie en lees De Waarheidsvriend vier maanden voor € 10,-!