Wat gebeurt er wanneer geloof en democratische waarden met elkaar botsen in het klaslokaal? In september berichtte actualiteitenprogramma Nieuwsuur dat dit regelmatig zou gebeuren in het reformatorisch en islamitisch onderwijs. Religieuze overtuigingen zouden wringen met waarden als gelijkheid en verdraagzaamheid. Die conclusie roept vragen op: Wat verlangt de wet precies van scholen? En is een christelijke belijdenis werkelijk onverenigbaar met democratische waarden?
Het verplichte burgerschapsonderwijs is in 2006 ingevoerd. Deze wet was echter erg open geformuleerd. Daarom wilde de wetgever de zogeheten burgerschapsopdracht verduidelijken voor scholen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Sinds het schooljaar 2021-2022 hebben scholen in Nederland de wettelijke opdracht om respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Hoewel de nieuwe wet volgens de regering geen nieuwe basiswaarden creëerde, was deze wel veel concreter en daardoor nam het gewicht ervan toe.
Merkwaardig gebeuren
Het is goed om te bedenken dat het in Nederland helemaal niet vanzelfsprekend is dat de overheid basiswaarden voorschrijft in het onderwijs. Integendeel, voor 2021 deed de overheid dat bewust niet. Anders dan in Frankrijk worden de inhoud en inrichting van het onderwijs in ons land zo veel mogelijk aan burgers zelf overgelaten. Het wettelijk vastleggen van een Nederlandse variant van de leus ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’ was daarom best een merkwaardig gebeuren.
Van verschillende kanten werd gewezen op de risico’s van door de staat voorgeschreven kernwaarden. Hoogleraar Gert Biesta, een vooraanstaand pedagoog en lid van de Onderwijsraad, gaf aan dat de nadruk op basiswaarden ertoe kan leiden dat leerlingen meer de mening van de staat kopiëren dan dat zij zelf leren nadenken en op verantwoorde wijze leren om te gaan met andersdenkenden. Een soort politieke indoctrinatie dus. Het kan ook de polarisatie versterken tussen de ‘wij’ die op de goede manier denken en de ‘zij’ die niet deugen.
Waarden en waardigheid
Met de nieuwe burgerschapsopdracht wilde de wetgever een gemeenschappelijke basis leggen om het stabiele voortbestaan van onze samenleving te bevorderen. Basiswaarden van de democratische rechtsstaat zijn een gemeenschappelijk ankerpunt en een verbindende factor in een veelkleurige en soms ook gepolariseerde samenleving. Al die verschillende mensen moeten het in ons land toch met elkaar zien te redden. Ze mogen elkaar in ieder geval niet de hersens inslaan bij meningsverschillen en het liefst zouden ze ook nog iets positiefs voor elkaar moeten betekenen. De regering benadrukte dat de basiswaarden van de democratische rechtsstaat breed geaccepteerd zijn en structureel verankerd in de nationale en internationale rechtsorde. Deze waarden zijn volgens de regering meer dan een politiek gekleurde mening.
Veel beschouwingen over de basiswaarden in het burgerschapsonderwijs gaan opmerkelijk genoeg voorbij aan de bron ervan: de menselijke waardigheid. Volgens de wetgever is de menselijke waardigheid het overkoepelende uitgangspunt van de democratische rechtsstaat en de grondrechten. In deze opvatting is een echo te horen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948. Volgens de preambule van deze verklaring zijn de erkenning van de inherente waardigheid en de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap de grondslag voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld. Ook het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie uit het jaar 2000 opent in artikel 1 met het overkoepelende uitgangspunt dat de menselijke waardigheid onschendbaar is.
"*" geeft vereiste velden aan