De negentiende-eeuwse theoloog dr. H.F. Kohlbrugge gebruikte in zijn gemeente in het Duitse Elberfeld de liturgische formulieren uit de Pfalz. Vooral het avondmaalsformulier had zijn bijzondere waardering. Waarom bracht hij er vervolgens toch wijzigingen in aan?
Kohlbrugge schreef over het avondmaalsformulier: “Het nachtmaalsformulier van onze Gereformeerde Kerk is met zulk een wijsheid van de Geest opgesteld. Men kan er zodanige kennis van Christus uit putten, en het legt zo volledig bloot wat wij van nature zijn. Het lijkt daarom haast overbodig om daar nog iets aan toe te voegen.”
Opmerkelijk genoeg bracht hij, ondanks zijn lof, toch aanpassingen en toevoegingen aan in het formulier. Toen hij op 11 juni 1848 voor het eerst het heilig avondmaal hield, schreef hij aan zijn vriend Johannes Wichelhaus: “De verbeteringen die ik ook in het avondmaalsformulier heb aangebracht, zijn de gemeente bijzonder goed bekomen.”
Volgens een bron wilde hij met deze wijzigingen bepaalde passages vooral verduidelijken en vereenvoudigen.
Artsenij
De eerste ‘verbetering’ die Kohlbrugge aanbrengt, betreft een toevoeging aan het einde van het onderwijzende gedeelte van het formulier. Deze toevoeging volgt direct na de passage waarin wordt benadrukt dat wij niet tot het avondmaal komen “om daarmee te tonen dat wij in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn. Integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken, belijden wij daarmee dat wij midden in de dood liggen.”
In deze zinnen worden twee werelden tegenover elkaar gesteld: die van de farizeeër en die van de tollenaar. Waar “in onszelf” verwijst naar zelfgenoegzaamheid en eigen gerechtigheid, staat “buiten onszelf” voor het zoeken van leven en gerechtigheid in Christus alleen. Op dit punt onderbreekt Kohlbrugge de lezing van het formulier en voegt hij een pastorale en troostvolle aansporing toe, speciaal gericht aan de tollenaar, de zondaar die zich onwaardig acht: “Laten wij dus goed verstaan en eraan vasthouden dat dit sacrament een artsenij is voor zieken en bekommerden, en dat de waardigheid die God van ons vordert, alleen daarin bestaat dat wij ons ongeveinsd zo erkennen zoals wij zijn, over onze zonde smart en droefheid ondervinden en al onze vreugde en lust in Christus hebben.”
Met deze woorden richt Kohlbrugge zich tot de aangevochten zondaar, die worstelt met zijn onwaardigheid en juist daardoor dreigt te wankelen.
De zondaar moet het in volstrekte armoede altijd weer van volstrekte genade hebben
Verscherping
Na zijn pastorale aansporing voegt Kohlbrugge een tweede wijziging toe, die de toon van de tekst aanmerkelijk verscherpt. Het betreft de passage waarin wordt erkend dat de gelovige nog vele gebreken en zwakheden kent: “Wij erkennen dat wij nog vele zonden en gebreken in onszelf aantreffen, namelijk dat wij geen volkomen geloof hebben, en ons er niet toe zetten God met zo’n ijver te dienen als wij behoren te doen, maar dagelijks strijd hebben te voeren met de zwakheid van ons geloof en onze verderfelijke begeerten. Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven.”
Kohlbrugge verdiept en verscherpt deze woorden ingrijpend. Waar het formulier spreekt over “vele gebreken”, benoemt hij dit als “het tegendeel van wat Gods wet van ons eist”. Wat daar nog wordt aangeduid als “geen volkomen geloof”, noemt Kohlbrugge ronduit: “geen geloof”. Het “gebrek aan ijver” wordt: “geen ijver”. En waar het formulier nog spreekt over de “zwakheid van ons geloof”, spreekt hij over de “nietigheid van ons geloof”. Zelfs de “begeerte om naar Gods geboden te leven” verandert hij in: “de begeerte om, ondanks ons ongeloof, aan genade vast te houden om naar Gods geboden te leven”.
Dr. A. de Reuver merkt hierbij op: “Het is duidelijk dat Kohlbrugge op deze manier de armoede van de avondmaalsgast radicaliseert. […] De gerechtvaardigde blijft zondaar, vleselijk en verkocht onder de zonde. De rechtvaardige stuit bij zichzelf steeds weer op het tegendeel. Hij moet het in volstrekte armoede altijd weer van volstrekte genade hebben.”
"*" geeft vereiste velden aan